18 november 2018

Bescherming echtelieden tegen (onbezonnen) handelen van ondernemende partner op de tocht?

De wetgever heeft via een aantal bepalingen in het burgerlijk wetboek gehuwden (en geregistreerd partners) tegen zichzelf en tegen elkaar in bescherming willen nemen. Voor enkele rechtshandelingen van een gehuwde is op grond van die bepalingen de toestemming benodigd van de echtgenoot. Dat betreft onder meer de rechtshandelingen tot borgstelling of hoofdelijke verbinding aan, in voorkomende gevallen, zekerheidstelling voor schulden van een ander. Ontbreekt die toestemming dan kan de andere echtgenoot de rechtshandeling vernietigen op grond van artikel 1:89 BW.

Een uitzondering op de omschreven bescherming geldt voor gevallen waarin de rechtshandelingen worden verricht in de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van de gehuwde. Hierbij heeft de gehuwde een rol als vennoot van een maatschap/VOF of als bestuurder van een BV/NV waarvan de gehuwde alleen of samen met de andere bestuurders de meerderheid van de aandelen houdt. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval maar in de regel wordt de uitzondering in de rechtspraak beperkt uitgelegd.

Financiering ten behoeve van inkoop in maatschap

Recent heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over een borgstelling van een directeur grootaandeelhouder (DGA) voor de financiering van zijn persoonlijke holding voor de inkoop in een accountantsmaatschap. De DGA was zelf ook accountant en ging zijn beroep middels de persoonlijke holding via de maatschap uitvoeren. De bank vereiste evenwel dat hij persoonlijk borg stond voor de terugbetaling van de financiering van € 350.000,-- die zijn vennootschap voor de inkoop aanging. Zo geschiedde.

Enige tijd na het verstrekken van het krediet verliest de maatschap haar belangrijkste klant en komt de maatschap in financieel zwaar weer. De bank eist het krediet op, de persoonlijke holding van de DGA biedt geen verhaal en de bank spreekt de DGA zelf aan onder de borgstelling. De echtgenoot van de DGA, die nimmer haar toestemming had gegeven voor de borgstelling, besluit daarop de borgstelling te vernietigen met een beroep op artikel 1:89 BW.

Procedure bij Rechtbank en Gerechtshof

Rechtbank en Gerechtshof geven de vrouw gelijk en wijzen de vordering van de bank tegen de DGA af. De financiering van de inkoop door de DGA kan, aldus het Gerechtshof, niet worden aangemerkt als “een rechtshandeling die kenmerkend is in die zin dat zij ten behoeve van de normale uitoefening van het beroep van accountant gebruikelijk is”. Dit mede gezien de gezinsbeschermingsgedachte die vastgelegd is in de wet en die dwingt tot een restrictieve uitleg van de uitzonderingen hierop.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad geeft aan dat het Gerechtshof met haar oordeel een te strenge maatstaf heeft aangelegd. Ofwel niet voldoende heeft gemotiveerd. De bank had immers gesteld dat de inkoop van de DGA middels zijn persoonlijke holding in de maatschap een wijze is om het beroep van accountant uit te voeren, dat de financiering in dat kader was aangevraagd en ook zodanig was aangewend, dat het niet ging om een financiering met een verhoogd risico, dat het samenwerkingsverband op dat moment financieel gezond was en dat de financiering daadwerkelijk ten goede is gekomen aan de persoonlijke holding van de DGA. De Hoge Raad vindt dat op die omstandigheden meer de nadruk moet worden gelegd in plaats van op het oordeel van het Gerechtshof dat de handeling niet kenmerkend is.

De Hoge Raad lijkt daarmee een soepeler standpunt in te nemen ten aanzien van de bescherming die uitgaat van het toestemmingsvereiste van gehuwden voor bepaalde rechtshandelingen dan voorheen aangenomen werd, maar schept nog altijd niet veel duidelijkheid.

Wel benadrukt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3.2. dat de rechts- en parlementaire geschiedenis volgens zijn vaste rechtspraak niet betekent dat bij borgstelling voor bankkredieten de uitzondering op het toestemmingsvereiste in beginsel steeds van toepassing is. De maatstaf is of de rechtshandeling waarvoor de zekerheid wordt verstrekt ten behoeve van de normale uitoefening van een bedrijf pleegt te worden verricht. Er moet dus goed gekeken worden naar die onderliggende rechtshandeling en niet naar de borgstelling an sich.

Advies

Banken en andere kredietverstrekkers doen er dus nog altijd goed aan om telkens wanneer extra zekerheid voor terugbetaling wordt gevraagd in de vorm van een borgstelling door een DGA, de toestemming van de echtgenoot te verzoeken alvorens het krediet daadwerkelijk te verstrekken. Waarom immers onnodig risico lopen dat de rechtshandeling door de echtgenoot van de DGA kan worden vernietigd?

Vragen?

Mocht u naar aanleiding van dit artikel nog vragen hebben, neem dan contact op met mr. Mathijs Arts van La Gro Advocaten via telefoonnummer 070 – 7900 132 of via m.arts@lgga.nl.

Bel Mathijs Arts