13 juni 2019

Bestuurdersaansprakelijkheid: Selectieve wanbetaling

Dient bij liquidatie van een vennootschap ook rekening te worden gehouden met (nog) niet in rechte vastgestelde vorderingen?

Dient bij liquidatie van een vennootschap ook rekening te worden gehouden met (nog) niet in rechte vastgestelde vorderingen?

In een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestuur bij de liquidatie van een vennootschap, onder bepaalde omstandigheden, tevens rekening dient te houden met (nog) niet in rechte vastgestelde vorderingen. In het onderhavige geval werd de onderneming van de vennootschap (A) door middel van een activa/passiva-transactie verkocht aan een derde, terwijl een belangrijke leverancier (B) een procedure jegens haar was gestart. Met de koopsom werden alle schuldeisers van A voldaan, met uitzondering van B. Ondertussen wordt de vordering van B toegewezen. A stelt zich op het standpunt niet (meer) over voldoende financiële middelen te beschikken en dat zij voorts ook geen rekening hoefde te houden met de vordering van B.

De rechtbank denkt daar anders over en oordeelt dat (de bestuurder van) A wel degelijk rekening diende te houden met de vordering van B: van een redelijk denkend bestuurder mag in zo’n geval worden verwacht dat hij een voorziening zou treffen voor deze vordering. Zelfs als het door de bestuurder ingenomen standpunt zou worden gevolgd dat er pas een voorziening moest worden getroffen in geval er een 50% zekerheid was dat er een vordering bestond, was daarvan volgens het oordeel van de rechtbank in dit geval zeker sprake. Het was immers geen illusoire vordering. Daarnaast kan de bestuurder zich niet ter rechtvaardiging verschuilen achter (het inwinnen van) deskundige adviezen op grond waarvan hij met deze vordering geen rekening hield. Net zoals een bestuurder de op hem rustende verantwoordelijkheid voor het voeren van een correcte administratie en het deponeren van jaarstukken niet kan afschuiven op een door hem ingeschakelde boekhouder of accountant en het voldoen aan fiscale verplichtingen niet op zijn fiscalist, kan hij niet zonder meer uitgaan van de juistheid van adviezen van door hem ingeschakelde juristen dat een vordering in rechte geen schijn van kans heeft en dus niet zou bestaan, aldus de rechtbank. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat sprake is van selectieve wanbetaling waarvan de bestuurder van A een persoonlijk ernstig verwijt treft.

Zie voor meer informatie over het leerstuk van selectieve (wan)betaling de bijdrage van Wim van Meegdenburg in het tijdschrift Rechtspraak Insolventierecht: RI 2019/31.

Vragen

Vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem contact op met Wim van Meegdenburg via w.vanmeegdenburg@lgga.nl of via 0172-503250.

Auteur
Mr. A.W. (Wim) van Meegdenburg

Advocaat

Bel Wim van Meegdenburg