01 februari 2021

Relativiteitsbeginsel in het bestuursrecht

Wanneer staat het relativiteitsbeginsel aan de vernietiging van een besluit in de weg? De Afdeling zet dit in de hierna te bespreken overzichtsuitspraak helder uiteen.

Wat houdt het relativiteitsbeginsel in?

Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigt een bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

In de overzichtsuitspraak van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706) zet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een groot aantal relevante punten voor de beoordeling van dit artikel helder uiteen. Het voert te ver om alle aangehaalde punten te bespreken. Hierna volgt een selectie op hoofdlijnen.

Aantal algemene uitgangspunten

Niet op het niveau van de regeling als geheel, maar per afzonderlijk voorschrift moet de vraag worden beantwoord of dit voorschrift mede strekt tot de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Alleen als de rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn belangen, staat het relativiteitsbeginsel aan de vernietiging van het besluit op deze grond in de weg. Dit moet onmiskenbaar het geval zijn.

De Afdeling past een correctie op het relativiteitsbeginsel toe in verband met de schending van het gelijkheidsbeginsel of schending van het vertrouwensbeginsel. Wanneer de rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept, dan kan de beroepsgrond toch leiden tot vernietiging van het besluit indien dit kan bijdragen tot het oordeel dat het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Degene die een beroep doet op één of beide beginsel(en) moet de feiten stellen die dat beroep onderbouwen.

Wetten

Vervolgens geeft de Afdeling een overzicht van een groot aantal specifieke wettelijke voorschriften en de belangen die deze beogen te beschermen. Onder andere komen de volgende artikelen aan bod.

Artikel 3.1 Wro

Het belang van de goede ruimtelijke ordening van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Onder meer is in dit verband geoordeeld dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, ook de belangen beschermt van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf.

Artikel 6.13 Wro

In artikel 6.13 van de Wro staan de eisen aan de vorm en inhoud van een exploitatieplan. Deze strekken ter bescherming van de belangen van degenen die rechtstreeks met het verhaal van kosten verbonden aan de exploitatie van in het exploitatiegebied opgenomen gronden te maken kunnen krijgen.

Artikel 3.1.6 Bro

De in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen ladder duurzame verstedelijking strekt kort gezegd tot bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder het voorkomen van onnodig ruimtebeslag en het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Deze norm strekt mede ter bescherming van het belang van een omwonende dat is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat en in verband daarmee het niet onnodig bebouwen van nabij zijn woning gelegen gronden.

Bouwbesluit 2012

De brandveiligheidsvoorschriften uit het Bouwbesluit 2012 strekken ter bescherming van eigenaren en gebruikers van de gebouwen waarvoor die eisen gelden en eigenaren en gebruikers van belendende gebouwen. Zij strekken niet tot bescherming van de belangen van eigenaren of gebruikers van niet naastgelegen bebouwing die hinder zouden kunnen ondervinden van eventuele schadelijke stoffen.

Wet natuurbescherming

De bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van plannen, projecten of andere handelingen, die gevolgen kunnen hebben voor een Natura-2000 gebied, strekken ter bescherming van het belang van de natuurwaarden in deze gebieden. De individuele belangen van natuurlijke personen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Voor de beoordeling of het Natura 2000-gebied onderdeel uitmaakt van de woon- en leefomgeving is onder meer van belang de afstand tot het Natura 2000-gebied en het al dan niet bestaan van zicht op dit gebied. Voornoemde bepalingen van de Wnb strekken kennelijk niet tot bescherming van bedrijfseconomische belangen, waaronder het concurrentiebelang.

Erfgoedwet / Monumentenwet 1988

De normen uit de Monumentenwet 1988 en de Erfgoedwet strekken tot het behoud van monumenten. Voor de toepassing van artikel 8:69a van de Awb wordt onderscheid gemaakt tussen de normen ter bescherming van archeologische waarden en de normen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Het behoud van archeologische waarden is een algemeen belang en dient niet (mede) het belang van een goed woon- en leefklimaat. Bij het behoud van cultuurhistorische waarden kan wel een zo nauwe verwevenheid bestaan tussen het belang van het behoud van een goede kwaliteit van de directe woon- en leefomgeving van de betreffende appellant en het algemeen belang dat aan de orde is bij de bescherming van cultuurhistorische waarden, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang.

Activiteitenbesluit milieubeheer

De afstandsnormen die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit beogen zowel de belangen van de omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat als de belangen van bedrijven bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen.

Wet geluidhinder

Hoofdstuk V van de Wet geluidhinder (Wgh) bevat een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone rond een industrieterrein, ter zake van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein voor woningen gelegen binnen die zone de waarde in acht moet worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare kan worden aangemerkt. Deze regeling strekt daarmee mede tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen bij een goed woon- en leefklimaat. Deze regeling strekt derhalve niet ter bescherming van degene die niet voornemens is de te bouwen woningen te gaan kopen of bewonen.

Wet bodembescherming

De normen uit de Wet bodembescherming strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem. Zij strekken niet (mede) tot bescherming van het woon- en leefklimaat of het ondernemersklimaat.

Contact

Voor vragen over het relativiteitsbeginsel of andere bestuurs(proces)rechtelijke vragen kunt u contact opnemen met Coline Norde of een van onze andere specialisten van het team overheid. Zij staan u graag te woord.

Auteur
Mr. C.H. (Coline) Norde

Advocaat & Partner

Bel Coline Norde