Contact

  • Bel 0172 503 250
  • Routebeschrijving
30 juni 2020

Gedoogplicht waterwet

Niet alleen de Belemmeringenwet Privaatrecht, maar ook diverse sectorale wetten bieden de grondslag voor de oplegging van een gedoogplicht door middel van een gedoogbeschikking. Op basis van de Belemmeringenwet en de Waterwet ontwikkelt zich de jurisprudentie over de vraag hoe ver de inbreuk op eigendom mag gaan, voordat de belangen van de eigenaar “vorderen” (ofwel: rechtvaardigen) dat de benodigde grond wordt onteigend. Een recente uitspraak van de Rechtbank Den Haag is een voorbeeld waarin de rechtbank concludeert dat onteigening niet nodig is.

Aanpassen waterkering en werkzaamheden

Blijkens de uitspraak was aan de eigenaar opgelegd te gedogen dat op zijn perceel een aanwezige waterkering moest gewijzigd door middel van het uitvoeren van werkzaamheden bestaande uit het verwijderen van een bestaande damwand, een steiger, een (half)verharding en struiken, het vervolgens ophogen van de kering (inclusief een overhoogte van 10 centimeter) én het realiseren van een nieuwe damwand. Daarnaast zouden de hiervoor benodigde werkzaamheden moeten worden gedoogd, waaronder een verkennend (asbest)bodemonderzoek, het gebruik van een tijdelijke werkplaats en het gebruik van een aanwezige watergang. Al deze werkzaamheden maakten deel uit van een groter project “Kadeonderhoud Ranonkelpad Berkel en Rodenrijs”.

Alles overziend is best sprake van ingrijpende tijdelijke maatregelen. In de definitieve situatie is er blijkens de uitspraak sprake van dat een percentage van 6,75% van de totale oppervlakte van het perceel, wordt beperkt. De rechtbank concludeert dat dit slechts een relatief gering gedeelte van het perceel betreft en komt op die basis tot het oordeel dat de belangen van de eigenaar geen onteigening vorderen.

Uitspraak volgt eerdere jurisprudentie

De uitspraak lijkt in vaste lijn te zijn met eerdere jurisprudentie. Voor het antwoord op de vraag of de belangen van een rechthebbende onteigening vorderen, is hierbij van belang:

  • de voor de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk benodigde grondoppervlakte in verhouding tot het totale grondoppervlak van de rechthebbende;
  • de vraag of zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals de omstandigheid dat de bruikbaarheid van de rest van een perceel vermindert als gevolg van de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk op een gedeelte van dat perceel.

Bijzondere omstandigheden

Met een percentage van 6,75% wordt op zichzelf, naar de huidige stand van de jurisprudentie, niet toegekomen aan onteigening, zelfs niet indien er geen gebruik van dat belemmerde gedeelte door de eigenaar meer mogelijk is. Dat zou anders kunnen zijn indien de onder 2. bedoelde bijzondere omstandigheden zouden worden aangenomen, maar dat doet de rechtbank niet.

De eigenaar had zich op het standpunt gesteld dat hij vreesde voor vernatting waardoor de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel ernstig zouden verminderen. Ondanks het onder 2. bedoelde criterium passeert de rechtbank deze stelling, door te overwegen dat enkel gekeken moet worden naar de gevolgen van de op het perceel van eiser uit te voeren maatregelen, dus niet door de maatregelen die verband houden met hetzelfde kade-onderhoudsproject buiten het perceel.

Gevolgen voor de praktijk

Daarmee maakt de rechtbank wel een onderscheid dat in de praktijk niet goed is te maken. In de praktijk zal het immers niet goed vast te stellen zijn in hoeverre de vernatting van een perceel het gevolg is van kade-onderhoud dat op hetzelfde perceel plaatsvindt of kade-onderhoud dat op een aangrenzend perceel plaatsvindt. In het onteigeningsrecht is wel aangenomen dat wanneer een dergelijk onderscheid niet is te maken, alle schade die het gevolg is van onlosmakelijk samenhangend gebruik van de onteigende grond en de aangrenzende grond als schade is aan te merken die het rechtstreeks gevolg is van de onteigening (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7625). Ik zie geen goede grond waarom dat bij een opgelegde gedoogbeschikking anders zou zijn.

Ik laat daarbij in het midden of de grond voor vernatting gegrond was. Indien zich relevante vernatting zal voordoen zal de eigenaar opnieuw bij het hoogheemraadschap kunnen aankloppen en heeft de eigenaar in beginsel aanspraak op aanvullende vergoeding van schade die hij lijdt.

Meer informatie

Heeft u vragen over gedoogbeschikkingen of schadeloosstelling bij belemmering of ontneming van eigendom? Neem gerust contact op met Arjan van Delden (a.vandelden@lgga.nl of 0172-503250).

Wilt u in de toekomst op de hoogte worden gesteld van onze artikelen en gratis kennissessies? Schrijf u dan hier in voor onze driemaandelijkse nieuwsbrief.