11 april 2019

Geen recht op smartengeld bij onterecht verblijf in EBI Vught

Leidt de enkele schending van fundamentele rechten tot een schadevergoedingsverplichting? De Hoge Raad heeft op 15 maart jongstleden bepaald van niet. Eiser dient de gevolgen nader te onderbouwen.

Feiten

Een gedetineerde verblijft enkele jaren in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught. Nadat het verblijf wordt verlengd gaat eiser met succes in beroep bij de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De beroepscommissie acht de klacht gegrond. De gedetineerde heeft ten onrechte 350 dagen doorgebracht in de EBI in plaats van een minder zwaar detentieregime (GVM). De RSJ kent de gedetineerde een financiële vergoeding toe van € 1375.

De gedetineerde vindt het echter niet genoeg en start een procedure. Daarbij claimt hij schadevergoeding van € 25 voor iedere dag dat hij onrechtmatig in de EBI verbleef, daar bovenop eist hij € 10 per dag omdat zijn resocialisatietraject met een jaar zou zijn vertraagd. Zijn vordering wordt gebaseerd op artikel 6:106 lid 1 sub b BW (lichamelijk letsel, schending van goede eer of goede naam of aantasting op andere wijze in persoon).

Standpunt eiser

Eiser is van mening dat zijn fundamentele rechten (artikel 3, 5 en 6 EVRM) zijn geschonden. Volgens eiser moet verondersteld worden dat hij hierdoor nadeel heeft geleden. Ook als feitelijk niet aangetoond kan worden dat hij (immateriële) schade – bijvoorbeeld pijn, leed en gederfde levensvreugde – heeft geleden. Deze schade moet volgens hem gecompenseerd worden met smartengeld.

Oordeel Hoge Raad

Nadat de Rechtbank en het Hof de vordering van eiser hebben afgewezen gaat hij in cassatie. Ook bij de Hoge Raad vangt hij bot.

Van persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW is volgens de Hoge Raad in elk geval sprake bij geestelijk letsel. Van belang zijn de aard en ernst van de normschending en de gevolgen voor de benadeelde. Deze omstandigheden kunnen meebrengen dat benadeelde recht heeft op schadevergoeding.

Uitgangspunt is dat eiser de geleden schade moet onderbouwen met concrete gegevens. Als het echter zo voor de hand ligt dat de benadeelde schade heeft geleden kan aantasting in persoon worden aangenomen en daarmee aanspraak worden gemaakt op smartengeld.

De Hoge Raad concludeert in dit geval dat alleen een schending van fundamentele rechten niet genoeg is. De eiser dient de gevolgen van de schending nader te onderbouwen. Dit heeft hij echter nagelaten. Voorts heeft de eiser niet concreet gesteld hoe het EBI-regime afwijkt van het GVM-regime en wat voor hem de verschillen zouden zijn geweest.

Contact

Wilt u meer weten over (immateriële) schadevergoeding en de toekenning daarvan? Neem dan gerust contact op met uw contactpersoon van onze sectie Ondernemingsrecht of mr. Fabio Canovai via telefoonnummer 0172 – 503250 of per e-mail f.canovai@lgga.nl