Top 3 gezochte pagina's

Contact

  • Bel 0172 503 250
  • Routebeschrijving
27 februari 2017 | Publicatie
Bron: E-Nieuwsbrief maart 2017
Door: Benjamin Niemeijer

Incassokosten zijn niet zomaar verschuldigd

De Hoge Raad heeft op 25 november 2016 een belangrijk arrest gewezen over de vraag wanneer een wanbetaler gehouden is tot het betalen van incassokosten.Hieruit blijkt dat de veertiendagentermijn pas aanvangt op het moment dat de aanmaning door de geadresseerde is ontvangen.

Per 1 juli 2012 geldt het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat besluit biedt een uniforme wijze van het berekenen van incassokosten voor wat betreft contractuele geldschulden. De incassokosten kunnen volgens het besluit afhankelijk van de hoofdsom variëren tussen € 40,- en € 6.750,-. Het besluit gaat dus uit van een forfaitaire berekeningsmethodiek.

Artikel 6:96 lid 6 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de consument-schuldenaar de in het besluit genoemde incassokosten pas verschuldigd is na aanmaning in de vorm van een zogenaamde “veertiendagenbrief”: een brief waarbij de consument-schuldenaar nog een laatste betalingstermijn van veertien dagen wordt gesteld.

Aanvang veertiendagentermijnIn het arrest gaat het om de vraag wanneer de veertiendagentermijn begint te lopen. Als namelijk de veertiendagentermijn niet in acht is genomen, zijn er ook geen incassokosten verschuldigd. De Hoge Raad bepaalt aan hand van de wettekst van art. 6:96 lid 6 BW dat de veertiendagentermijn aanvangt op de dag volgend na de ontvangst van de brief.

De Hoge Raad benadrukt dat de veertiendagenbrief bedoeld is om de consument te beschermen en het daarom niet onbegrijpelijk is dat als een consument geen verweer voert, bijvoorbeeld doordat hij of zij niet verschijnt in een eventuele gerechtelijke procedure, tot uitgangspunt kan worden genomen dat de brief op de tweede dag na verzending is bezorgd, waarbij een zondag, maandag of officiële feestdag niet meetellen als tussenliggende dag of dag van bezorging.

In de praktijkHet oordeel betekent voor de praktijk dat als de brief per post wordt verzonden in ieder geval de viertiendagentermijn, toch zestien dagen dient te zijn. Wordt de aanmaning per e-mail verstuurd (daarover laat de Hoge Raad zich niet in directe bewoordingen uit, maar e-mail, sms en whatsapp (handig met die blauwe vinkjes) voldoen ook aan het schriftelijkheidsvereiste), moet toch ook in ieder geval vijftien dagen in acht worden genomen.

Het Hof Den Haag heeft in 2014 een arrest gewezen, waarin het overwoog dat als de termijn te kort was, maar de schuldenaar ook niet binnen de termijn die gegeven had moeten worden betaalt, het gebrek in de veertiendagenbrief geheeld wordt. De Hoge Raad neemt daar afstand van: een brief die niet voldoet, voldoet niet en leidt niet tot verschuldigdheid van incassokosten. Dit oordeel lijkt ook in lijn met de ambtshalve toetsing van het consumentenrecht.

FoutenAls het fout is gegaan en er dient toch aanspraak te worden gemaakt op de incassokosten (die afhankelijk van de hoofdsom tussen € 40 en € 6.750,- ligt), moet een nieuwe "veertiendagenbrief" worden gestuurd. Neem dan een veilige termijn van bijvoorbeeld drie weken in acht.

Reflexwerking?Het arrest van de Hoge Raad gaat uitsluitend over de wanbetalende consument. Wat te doen met de wanbetalende onderneming? In het Rapport BGK Integraal - een rechtersrapport dat de opvolger is van het Rapport Voor-Werk II - overwegen de rechters dat de normen in de wet overeenkomstig worden toegepast op wanbetalende ondernemingen. Kortom: ook naar ondernemingen moet de veertiendagenbrief met een langere termijn dan veertien dagen worden gestuurd.

Voor vragen kunt u vrijblijvend contact opnemen met La Gro Advocaten, mr. Benjamin Niemeijer, telefoonnummer 0172-503250, e-mail bniemeijer@lagrolaw.nl.