20 maart 2017

Laat opschorting geen boemerang worden

Er is weinig frustrerenders dan een contractspartner die zijn werk niet goed doet. Dit is een frustratie van alle tijden. Van oudsher kent het recht de bevoegdheid om de eigen prestaties op te schorten als de prestaties van de contractspartner onder de maat blijven.

Wat is daarvoor nodig? Allereerst is daarvoor nodig dat de prestatie van de tekortschietende partij eerder opeisbaar is dan die van de partij die zich op opschorting beroept. Dit "jij eerst"-beginsel laat zich in het volgende voorbeeld vangen: op 2 januari 2017 stuurt de aannemer een factuur aan de opdrachtgever. Deze factuur moet volgens de afspraken uiterlijk op 16 januari 2017 betaald zijn. De opdrachtgever betaalt niet. Op 29 januari 2017 legt de aannemer het werk neer met vertragingsschade als gevolg, waardoor de opdrachtgever zich dan op opschorting gaat beroepen. In dat geval kan de aannemer zich op opschorting beroepen: de opdrachtgever had immers eerst moeten presteren.

Verder moet er voldoende samenhang bestaan tussen de verbintenis waarop de opschorting is gestoeld en de verbintenis waarvan nakoming wordt verlangd. In een arrest van 17 maart 2017 illustreerde de Hoge Raad dit treffend. Een aannemer bouwde in opdracht van twee particuliere opdrachtgevers een kelder onder hun woning aan de Loosdrechtse Plassen en een steiger bij hun woning aan de Loosdrechtse Plassen. Bij de bouw van de kelder ging het fout: de muren krompen te hard, waardoor scheuren ontstonden. Die scheuren leidden tot lekkage. Vastgesteld werd dat dit de aannemer kon worden verweten. De opdrachtgevers betaalden echter de factuur voor de aanleg van de steiger niet met een beroep op opschorting. Dit beroep op opschorting werd niet toegekend: de opdrachtgevers hadden onvoldoende de samenhang tussen de opdracht voor de bouw van de kelder en die voor de aanleg van de steiger aangetoond.

Daarnaast moet de opschorting kenbaar en duidelijk worden uitgeoefend. De schuldeiser van de opschortende partij moet niet raden dat opgeschort wordt. De opschorting mag ook uit de omstandigheden van het geval (bijvoorbeeld het niet betalen van facturen gebeuren), zolang maar duidelijk en consequent wordt opgetreden en - als de vraag komt - helder wordt aangegeven dat wordt opgeschort.

Voor de wederpartij van de opschortende partij is er een escape: contractueel mag het recht op opschorting (en verrekening), in ieder geval jegens zakelijke klanten, worden uitgesloten. Het verdient dan ook de voorkeur dit te doen. Alleen als de klant een consument is, mag dit niet.

Jan Spanjaard