4 mei 2017

Mag de zzp’er worden belemmerd rechtstreeks te werken voor zijn feitelijke inlener?

De Hoge Raad heeft zich op 14 april jl. uitgelaten over het belemmeringsverbod in artikel 9a Waadi.[1] De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit verbod niet alleen geldt voor het belemmeren van aangaan van arbeidsovereenkomsten, maar ook voor (andere) arbeidsverhoudingen. Hierdoor kan wellicht ook niet langer iemand worden belemmerd om als zzp’er rechtstreeks voor die derde aan de slag te gaan.

Het verbod van art. 9a Waadi kennen we vooral bij werknemers, die via uitzending of detachering bij een derde tewerkgesteld worden en rechtstreeks voor die derde willen gaan werken. Het verbod houdt in dat verband in dat die werknemers niet mogen worden belemmerd in dienst te treden bij die derde partij, de partij waarvoor zij feitelijk al werkzaam zijn. Anders gezegd, werknemers mogen niet worden beperkt door bijvoorbeeld een concurrentiebeding om rechtstreeks met hun inlener een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Dit belemmeringsverbod geldt ongeacht of de betreffende werknemer bij zijn huidige uitlener een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd heeft.

Belemmeringsverbod
Aan de Hoge Raad is de vraag gesteld of de situatie dat een concurrentiebeding iemand belemmert om als zzp’er rechtstreeks voor de (hoofd)opdrachtgever te werken, niet evengoed in strijd is met het belemmeringsverbod van art. 9 Waadi. Het gerechtshof oordeelde nog dat dit niet het geval was, omdat het belemmeringsverbod alleen bescherming beoogt te bieden wanneer een “arbeidsovereenkomst” met de inlener wordt aangegaan. Dat mag niet verhinderd worden. De Hoge Raad vindt dit te kort door de bocht. Volgens de Hoge Raad zijn namelijk ook belemmeringen verboden ter zake het tot stand komen van een “arbeidsverhouding” met de inlener. Dit begrip is veel ruimer dan slechts een arbeidsovereenkomst en ziet volgens Europese uitleg op alle situaties, waarbij “een persoon gedurende bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties levert en in ruil daarvoor een vergoeding ontvangt”.[2]

Rechtsverhouding
De Hoge Raad heeft de zaak nu verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om te onderzoeken of de rechtsverhouding van de zzp’er met haar inlener in casu voldoet aan de omschrijving van het ruimere begrip “arbeidsverhouding”. Als dat het geval is, dan is het concurrentiebeding nietig en mag zij gewoon voor de inlener werken.

Dit zou natuurlijk wel een bijzondere situatie opleveren. Het hof zou dan tot de conclusie moeten komen dat deze zzp’er – naar Europees recht - onder leiding van een ander werkt. De kwalificatie van een zzp’er – naar Nederlands recht - is echter juist dat een zzp’er zelfstandig en niet onder leiding van een ander werkt. Zou er wel een gezagsverhouding zijn, dan is er namelijk eerder sprake van een (verkapte) arbeidsrelatie en dat risico wil de inlener liever niet lopen. Al met al is de uiteindelijke uitkomst van de zaak dus nog geen gelopen race en is het nog te risicovol om vast te stellen dat eenieder vrij moet mogen zijn om als zzp’er werkzaamheden voor de inlener voort te zetten.

Mr. A.I. (Angela) Mekes



[1] ECLI:NL:HR:2017:689

[2] ECLI:EU:C:2016:883 Ruhrlandklinik