3 juni 2019

Valse handtekening, wie moet wat bewijzen?

Een partij eist op basis van een ondertekend document een terugbetaling, maar de wederpartij claimt dat de overeenkomst vervalst is. Wie moet dan bewijzen dat het document geldig of vervalst is? De Hoge Raad boog zich onlangs over deze vraag.

Wat speelde er?

Eiser maakte aanspraak op terugbetaling van een bedrag wat volgens hem was uitgeleend aan gedaagde. In de procedure die hierop volgde legde eiser, ter onderbouwing van zijn stelling, een twee pagina’s tellende overeenkomst over, waarop enkel op de tweede en laatste pagina handtekeningen waren geplaatst door de beide partijen.

Op de eerste pagina van dat stuk staat, kort weergegeven, dat gedaagde een bedrag van € 150.000,00 heeft ontvangen in het kader van een geldlening. Deze geldlening moet in 50 maandelijkse termijnen van € 3.000,00 worden terugbetaald aan eiser. Daarnaast staat er dat er 8% rente per jaar is verschuldigd en dat eiser de lening volledig kan opeisen als een termijn niet op tijd wordt betaald. Gedaagde betwistte dat hij € 150.000,00 heeft geleend van eiser. Hij heeft weliswaar erkend dat de handtekening op de tweede pagina zijn handtekening is, maar stelt dat deze door hem zou zijn geplaatst op een leeg blad dat hoorde bij een andere overeenkomst. De bepalingen over de geldlening zouden volgens gedaagde later pas op die pagina boven zijn handtekening zijn gezet. Hij stelt dus dat het document vals is.

Juridisch kader

In deze zaak staat centraal of sprake was van een onderhandse akte en op wie de bewijslast rust als de echtheid van de tekst van het stuk wordt betwist. De akte waarop eiser zich heeft beroepen is volgens hem een onderhandse akte in de zin van artikel 156 Rv. Een dergelijke onderhandse akte levert namelijk volgens de wet dwingend bewijs op tussen partijen ten aanzien van hetgeen in de akte is opgenomen. Als de echtheid van de handtekening wordt betwist moet degene die zich op de akte beroept, de echtheid van de handtekening bewijzen.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de door eiser gepresenteerde overeenkomst, ook al was slechts de tweede en laatste pagina ondertekend, een onderhandse akte in de zin van artikel 156 Rv betrof nu deze was ondertekend en de tekst ervan diende tot bewijs.

Vervolgens kwam het aan op de vraag hoe met het verweer van gedaagde moest worden omgegaan dat met de akte geknoeid was.

In dit geval werd de echtheid van de handtekening dus niet betwist, maar stelde gedaagde dat hij die akte weliswaar ondertekend had, maar dat er later tekst is toegevoegd. De Hoge Raad oordeelt dat in dat geval de bewijslast en het bewijsrisico van die stelling rust bij degene die zich erop beroept dat op een later moment nog tekst aan de akte is toegevoegd, gedaagde dus in dit geval.

De Hoge Raad laat wel ruimte voor de rechter om in zulke gevallen op basis van diverse omstandigheden aan te nemen, dat er inderdaad tekst geheel of gedeeltelijk later is toegevoegd.

Meer informatie

Heeft u vragen hierover of over een verwant onderwerp? Neemt u dan vrijblijvend telefonisch (via telefoonnummer 071 512 4443) of per e-mail contact op met Panc van Kooij (p.vankooij@lgga.nl) of Donald Volleberg (d.volleberg@lgga.nl) van de sectie ondernemingsrecht van La Gro Geelkerken Advocaten.