Interessant voor u

Top 3 gezochte pagina's

Contact

  • Bel 0172 503 250
  • Routebeschrijving
Bezig met zoeken...

Overmacht / Force Majeur in de reisbranche

Veel reizigers en reisondernemingen hebben vragen over de gevolgen van de Corona-crisis. In dit artikel legt reisrecht advocaat Nick de Leeuw uit welke rechten beide partijen hebben en welke mogelijke oplossing er is.
We helpen reisondernemingen graag met hun vragen. Neem hiervoor contact op met Nick de Leeuw.

Introductie

Overmacht is voor het commune recht geregeld in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. In het bijzonder in artikel 6:75: "Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt".

Daarnaast wordt er ook wel met name in wetten die een Europese oorsprong hebben met afwijkende overmacht begrippen gewerkt. Dat zien we bijvoorbeeld bij de luchtvertragingsverordening (DBC Verordening) maar ook in het reisrecht Voor de reissector hebben we te maken met wetgeving voortvloeiend uit de richtlijn pakketreizen (PTD). De richtlijn en dus ook de Nederlandse wet wijkt af van het algemene overmachtsbegrip zoals we dat in het commune verbintenissenrecht kennen. In het commune recht geldt in het algemeen bij overmacht het volgende.

Indien overmacht de nakoming (door de schuldenaar) van een uit een wederkerige overeenkomst ontstane verbintenis blijvend belemmerd behoeft ook de wederpartij (schuldeiser) haar verbintenis niet na te komen. Als gevolg daarvan wordt het nadeel tussen beide partijen gedeeld in die zin dat schuldeiser noch de prestatie noch de schadevergoeding ontvangt en de schuldenaar de tegenprestatie niet kan vorderen.

Ingevuld naar een reisovereenkomst is de schuldenaar de reisorganisator (die moet uitvoeren) die als de reis ten gevolge van overmacht niet kan worden uitgevoerd de tegenprestatie (betaling van de reissom) niet kan vorderen. Als die prestatie al (gedeeltelijk) is voldaan is die onverschuldigd voldaan en moet die terug.

In Nederland geldt dus de regel dat het nadeel wordt gedeeld in die zin dat de wederpartij noch de prestatie noch schadevergoeding ontvangt maar daartegenover van haar ook de tegenprestatie niet gevorderd kan worden. De

wederpartij in deze is dan de reiziger die niet de prestatie (uitvoering van de reisovereenkomst) ontvangt noch een schadevergoeding voor het ongerief, maar ook niet de reissom hoeft te betalen.

Wanneer is iets nu overmacht ?

De schuldenaar kan zich op overmacht beroepen ingeval van een buiten zijn schuld ontstane en niet voor zijn risico komende tekortkoming in de nakoming. De tekortkoming zal dan bijna altijd bestaan uit een verhindering tot nakoming. Een verhindering tot nakoming is niet alleen aanwezig wanneer de nakoming voor eenieder volstrekt onmogelijk is maar ook wanneer de nakoming voor de desbetreffende schuldenaar onmogelijk of praktische te bezwaarlijk is geworden.

Hoewel het niet eenvoudig is om algemene richtlijnen te geven kan vooropgesteld worden dat de schuldenaar aansprakelijk is voor de belemmering (tot nakoming) indien zij te wijten is aan een oorzaak die krachtens de wet, een overeenkomst of de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Met betrekking tot de vraag voor wiens rekening en risico een belemmering tot nakoming komt geldt dus mede de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen. Een tekortkoming kan ook krachtens wet of overeenkomst voor rekening en risico van de schuldenaar komen.

In ieder geval lijkt onbetwist dat hetgeen bij wet of wettige overheidsmaatregel verboden is een overmacht situatie oplevert om na te komen. De plicht tot gehoorzaamheid aan de wet weegt zwaarder dan de plicht tot nakoming van de aangegane verbintenis.

Daarnaast spelen uiteraard ook de redelijkheid en de billijkheid een belangrijke rol. In het algemeen wordt aangenomen dat de schuldenaar zich niet op overmacht kan beroepen in gevallen waarin hij krachtens de wet of ingevolge de door partijen aangegane overeenkomst aansprakelijk wordt gehouden voor het intreden van de gebeurtenis die de nakoming verhindert.

Wanneer een tekortkoming krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de schuldenaar komt hangt af van alle omstandigheden van het geval. Dat daaromtrent in een concreet geval verschil van mening mogelijk is, ligt dan voor de hand.

Een belangrijke vraag in dit verband is of de oorzaak van de belemmering ten tijde van het aangaan van de verbintenis voorzienbaar was. Bij voorzienbaarheid wordt in het algemeen geen beroep op overmacht gehonoreerd bij onvoorzienbaarheid aan de zijde van de schuldenaar (degene die moet presteren) in het algemeen wel.

Reisovereenkomst

In de wet op de reisovereenkomst wordt gewerkt met de begrippen onvermijdbare en buitengewonde omstandigheden. Daaronder wordt begrepen de situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle redelijke voorzorgsmaatregelen niet te vermijden waren.; Gevaar voor leven, gezondheid, vrijheid etc. wordt in het algemeen gezien als omstandigheden waarbij een beroep op overmacht opgaat. (Vergelijk in dit verband de Memorie van Toelichting bij art. 7:509 lid 3 BW waar expliciet wordt genoemd dat de reiziger recht heeft de pakketreisovereenkomst zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen bij de uitbraak van een ernstige ziekte waardoor veilig reizen naar de in de pakketreis overeengekomen bestemming onmogelijk is geworden). Ook een belemmering door de overheid levert een situatie op die valt onder lid 3 van 509 BW.

De vraag is of de PTD veel wijziging brengt in het commune overmachtsbegrip. Uitgangspunt van de PTD en dus ook van de Nederlandse wet (op de reisovereenkomst) is dat de reiziger te allen tijde het recht moet hebben om de reisovereenkomst te beëindigen. En alleen dan tegen betaling van een passende en gerechtvaardigde beëindigingsvergoeding als de reiziger zich niet kan beroepen op lid 2 van artikel 12 PTD (of lid 3 van 7:509 BW).

Lid 3 van 7:5091 BW formuleert het zo: “Onverminderd lid 1 en lid 2 heeft de reiziger, indien zich op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis of voor het personenvervoer naar de bestemming, het recht de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis zonder betaling van een beëindigingsvergoeding te beëindigen”.

Door deze bepalingen staat buiten kijf dat organisator, noch reiziger een schadevergoeding hoeft te betalen bij beëindiging van de reisovereenkomst. Een geheel andere vraag is of de (aan)betalingen terug moeten worden betaald en zo ja, binnen wilde termijn en in welke vorm. Conform het algemeen verbintenissenrecht vervallen de wederzijdse verplichtingen als er sprake is van permanente “force majeur” (overmacht). Dit uitgangspunt geldt onverkort ook voor wat betreft de beëindiging (opzegging) van de reisovereenkomst ten gevolge van onvermijdbare en buitengewone omstandigheden. Dit uitgangspunt houdt dus in dat eventuele (aan) betalingen op de reis in juridische zin terug moeten worden betaald. De wet op de reisovereenkomst kent hiervoor een korte termijn van 14 dagen (lid 7 van 7:509 BW).

Het onder de huidige omstandigheden terug moeten betalen van (aan) betalingen binnen 14 dagen is onmogelijk voor reisondernemingen en doet een onverantwoorde aanslag op hun liquiditeit. Als deze verplichting blijft gelden2 dreigt een ramp scenario en lijkt faillissement van zeer vele reisbedrijven onafwendbaar. ANVR heeft samen met SGR daarom het zg. ”Corona voucher “3 ontwikkeld. In plaats van terugbetaling in geld binnen 14 dagen geeft de reisorganisator die de reis niet kan uitvoeren om vorenvermelde omstandigheden een voucher aan de consument ter waarde van maximaal de (aan)betaling die maximaal 1 jaar geldig blijft en ingewisseld kan worden voor een reis bij deze organisator. Hiermee wordt een aanslag op de liquiditeit beperkt. De vaar of de klant deze voucher moet accepteren is een moeilijke. Niet op basis van het gewone recht noch op basis van de wet op de reisovereenkomst.

Echter niemand is gehouden tot het onmogelijke ook reisbedrijven niet. Onder de huidige omstandigheden is het onmogelijk te voldoen aan de verplichting uit PTD en wet op de reisovereenkomst.

Echter niemand is gehouden tot het onmogelijke ook reisbedrijven niet. Onder de huidige omstandigheden is het onmogelijk te voldoen aan de verplichting uit PTD en wet op de reisovereenkomst.

M.i. zouden reisondernemingen zich moeten kunnen beroepen op artikel 6:258 en of 6:248 BW ingeval de overheid niet een versoepeling van de verplichtingen uit de PTD toestaat.

  • 1 De rechter kan op vordering van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.
  • 2 Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.
  • 3 Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een partij bij die overeenkomst gelijk.

  • De bepaling vormt een lex specialis van de beperkende werking van de redelijk- en billijkheid. Zonder de bepaling zou een vergelijkbaar resultaat dus kunnen worden bereikt door toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, zo nodig gecombineerd met de aanvullende werking van de redelijk- en billijkheid op grond van art. 6:248 lid 1.BW.

    Of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren, is niet beslissend. Het komt er slechts op aan, van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd. Het is niet noodzakelijk dat de onvoorziene omstandigheden een wijziging betekenen ten opzichte van de situatie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, men denke aan het geval een door partijen verwachte wijziging niet intreedt (TM, Parl. Gesch. BW Boek6, p. 969). Wel kan van onvoorziene omstandigheden in de zin van het artikel alleen sprake zijn voor zover het betreft omstandigheden die op het ogenblik van het tot stand komen van de overeenkomst nog in de toekomst lagen (HR 20 februari 1998, NJ 1998/493 (Briljant Schreuders/ABP)).

    De onvoorziene omstandigheden moeten van dien aard zijn dat de wederpartij geen ongewijzigde instandhouding van de contractuele rechtsverhouding mag verwachten. Hoewel redelijkheid en billijkheid in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord verlangt en afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering kan plaats vinden (TM, Parl. Gesch. BW Boek6, p. 969). Daaruit volgt dat de rechter terughoudendheid moet betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden (HR 20 februari 1998, NJ 1998/493 (Briljant Schreuders/ABP)).

    Mocht een beroep op deze regel niet opgaan bijvoorbeeld omdat het recht op terugbetaling binnen 14 dagen voortvloeit uit de wet dan zou een beroep gedaan moeten kunnen worden op de beperkende werking van de redelijk - en billijkheid (artikel 6:248 lid2 BW). Er zijn voorbeelden in de rechtspraak bekend dat een

    wettelijk recht of een wettelijke regel niet geldt als een beroep op deze regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

    Een voorbeeld uit het arbeidsrecht kan dit verduidelijken: Na een ontslag op staande voet kan een werknemer gedurende een half jaar de nietigheid inroepen (artikel 9 lid 3 BBA). Een beroep op het vervallen zijn van deze termijn door de werkgever kan onder omstandigheden echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Bij de honorering van een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid moet de rechter wel zeer terughoudend zijn (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2012:BW5695).

    Bij een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid spelen uiteraard alle omstandigheden van het geval een rol. Zo`n toets is per definitie erg casuïstisch zodat het lastig blijft om de uitkomst te voorspellen. Een ander voorbeeld uit het huurrecht.

    HR 29 april 1983, NJ 1983, 627 (Spruijt/Sperry Rand Holland; m.nt. P.A. Stein):
    'Dat de in acht te nemen opzegtermijn mede in het belang van de verhuurder in de wet dwingend is vastgesteld, sluit niet uit dat een huurder, die deze termijn niet in acht heeft genomen, aan de verhuurder, die zich daarop beroept, vermag tegen te werpen dat dit beroep onder de gegeven omstandigheden in strijd is met de goede trouw. Het betekent wel dat voor het als juist aanvaarden van die tegenwerping zware eisen moeten worden gesteld'.

    Conclusie/advies

    Onder de huidige omstandigheden acht ik goed verdedigbaar dat de reiziger geen onverkorte nakoming kan verlangen van de verplichtingen voortvloeiend uit de pakketreisovereenkomst, uit de PTD (en/of wet op de reisovereenkomst). Ook de klant heeft er niets aan als vrijwel alle reisbedrijven ten gevolge van het moeten nakomen van de verplichtingen zoals die er liggen “en masse” failliet gaan. Gepleit moet worden voor een nationaal noodfonds dat bij voorkeur in samenwerking met SGR voor reisbedrijven in het leven wordt geroepen. Daarbij kan ook gedacht worden aan een overheidsgarantie richting SGR zodat SGR de gestelde bankgaranties kan verlagen om reisondernemingen liquiditeit te geven.

    Contact

    Heeft u vragen over reisrecht? Neem contact op met Nick de Leeuw via 070-7900134 of n.deleeuw@lgga.nl, of een van onze andere specialisten.