23 juni 2017 | Publicatie
Bron: E-Nieuwsbrief juni 2017
Door: Angela Mekes

Onaanvaardbaar misbruik: een schuldeiser die volledige betaling van zijn vordering verlangt

Op 24 maart 2017 heeft de Hoge Raad bevestigd dat één van de verhuurders van V&D misbruik van zijn positie maakte door vast te houden aan volledige betaling van de huurprijs en geen verlaging te willen accepteren. Dit terwijl V&D met een groep andere verhuurders wel een regeling had getroffen voor verlaging van de huurprijs. Hoewel we al een tijdje weten dat V&D niet gered kon worden, is dit arrest nog wel van belang voor de rechtsontwikkeling. Waar altijd als uitgangspunt gold dat een schuldeiser in beginsel recht heeft op volledige betaling van zijn vordering, biedt dit arrest mogelijk meer ruimte om als onderneming in zwaar weer een vuist te maken tegen die opstelling, wanneer daarmee een reddingsplan in gevaar zou komen.

V&D heeft in februari 2015 een reddingsplan aangekondigd en heeft als onderdeel van dat reddingsplan alle verhuurders gevraagd in te stemmen met verlaging van de huurprijs. V&D zou zodoende een lagere huurachterstand hoeven in te lossen. Eén verhuurder was niet bereid een gedeeltelijke betaling op zijn vordering te accepteren en kreeg ook gelijk van de voorzieningenrechter: V&D moest de volledige huurprijs betalen, zowel ten opzichte van de achterstand als voor de toekomst.

Hoger beroep: de verhuurder maakt misbruik van zijn positie
In hoger beroep kreeg V&D echter gelijk. Het gerechtshof vond dat de verhuurder misbruik van zijn bevoegdheid maakte door vast te houden aan integrale betaling. Zo oordeelde het gerechtshof: 1) dat de medewerking van de verhuurder nodig was als onderdeel van het totale reddingsplan om een faillissement van V&D te voorkomen, 2) dat het gerechtvaardigd was om van een bepaalde groep schuldeisers een bijzonder offer te vragen en leveranciers en personeel te ontzien en 3) dat alle verhuurders van V&D groot nadeel zouden lijden bij een faillissement, aangezien de winkelpanden zo omvangrijk waren.

De verhuurder heeft zich tegen het oordeel van het gerechtshof verzet door in cassatie te gaan. De verhuurder vond dat het gerechtshof te streng had geoordeeld. Het gerechtshof was uitgegaan van regels, die gelden voor een schuldeiser die weigert mee te werken aan een akkoord dat een onderneming aan al zijn schuldeisers wil aanbieden.[1] Dat speelde bij V&D niet. Het ging hier feitelijk om de vraag of één individuele schuldeiser in redelijkheid betaling kon verlangen van de volledige huurprijs, terwijl met vergelijkbare schuldeisers een regeling was getroffen. Het gerechtshof meende dat die situatie op dezelfde wijze getoetst kan worden als de situatie waarin een schuldeiser weigert mee te werken aan een akkoord, dat voor alle schuldeisers geldt.

De Hoge Raad steunt het gerechtshof en geeft de verhuurder dus ongelijk.[2] Het feit dat niet alle schuldeisers van V&D bij de regeling zijn betrokken, zoals dat bij een akkoord zou zijn, belet niet dat één schuldeiser misbruik van zijn positie kan worden verweten. Een schuldeiser is in beginsel vrij om medewerking te weigeren als hij slechts een beperkt gedeelte van zijn vordering betaald gaat krijgen, maar dat vormt geen absoluut recht. Onder bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen dat de schuldeiser in redelijkheid de aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren en dan kan hij dus worden verplicht om een kleinere betaling te accepteren. In de V&D-casus waren dergelijke omstandigheden aan de orde, die aldus de conclusie rechtvaardigden dat de verhuurder misbruik maakte door vast te houden aan volledige betaling. Hij mocht zich niet aan de regeling onttrekken.

Hoe werkt het in de toekomst?
De Hoge Raad heeft overigens niet uitgesproken of de huurverlaging blijvend geaccepteerd had moeten worden. Daar blijft dus nog een opening voor schuldeisers in toekomstige vergelijkbare situaties.

Het oordeel van de Hoge Raad sluit mijns inziens goed aan bij de gedachte achter het wetsvoorstel WCO II, dat beoogt het herstructurerend vermogen van ondernemingen te versterken. WCO II biedt ondernemingen in zwaar weer meer mogelijkheden om ook buiten surseance of faillissement schulden te saneren door bijvoorbeeld schuldeisers (bij meerderheid) te dwingen mee te werken aan een akkoord.

Het wetsvoorstel WCO II was begin 2017 nog onderwerp van nader onderzoek en overleg, maar zou naar verwachting spoedig aan de Raad van State voor een advies worden voorgelegd.[3] In de zomer zal een nieuw voortgangsverslag van de minister worden gepubliceerd.

Meer informatie?
Voor meer informatie kunt u terecht bij de sectie Faillissementsrecht van La Gro Advocaten, mr. Angela Mekes, telefoonnummer 0182 - 518433, e-mail: amekes@lagrolaw.nl.



[1] Hoge Raad 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799 (Payroll)

[2] Hoge Raad 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:485, https://www.recht.nl/rechtspraak/uitspraak/?ecli=ECLI:NL:HR:2017:485

[3] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2017/02/23/tk-commissiebrief-voortgangsbrief-herijking-faillissementsrecht-februari