18 juli 2019

Krijgt deze muis nog een staart?

Op 10 juli jongstleden heeft het Europese Hof van Justitie in meerdere opzichten een belangrijke uitspraak gedaan. Niet zozeer in verband met de hoofdvraag in deze zaak, maar door de consequenties die deze uitspraak kan hebben voor de Nederlandse staat en voor de wijze waarop de toezichthouder (ACM) toezicht moet houden op Nederlandse reisorganisaties.

Een terugblik

De wet verplicht reisorganisatoren die een pakketreis aanbieden om garantie te bieden tegen eigen financieel onvermogen. Onder de oude wet was dit verplicht op grond van de richtlijn uit 1990, vanaf 1 juli 2018 is dit verplicht op grond van de Richtlijn Pakketreizen uit 2015. De reisorganisator moet maatregelen nemen om te verzekeren dat de reiziger schadeloos wordt gesteld wanneer hij wegens financieel onvermogen zijn verplichtingen niet of niet verder kan nakomen. Dat kan zijn terugbetaling van de vooruitbetaalde reisgelden maar ook repatriëring van de gestrande reiziger.

Uitspraak door het Hof

De hoofdvraag in deze zaak ging over de vraag of een reiziger terugbetaling van zijn ticket ook bij de luchtvaartmaatschappij kan vragen als de vlucht onderdeel uitmaakt van een pakketreis. Artikel 8 van de DBC-verordening is daar tekstueel heel duidelijk over. Als de vlucht onderdeel is van een pakket kan alleen van de reisorganisator terugbetaling worden gevraagd. De vraag was echter of deze regel ook geldt als de reisorganisator financieel niet in staat is tot terugbetaling en die reisorganisator geen garantie maatregelen heeft getroffen om terugbetaling te waarborgen. Met andere woorden: niet aangesloten is bij een garantiefonds.

Het Hof komt tot een bevestigend antwoord op grond van de duidelijke bewoordingen van de DBC-verordening en omdat de richtlijn pakketreizen, volgens het Hof, voldoende bescherming biedt. Het recht op terugbetaling kan dus niet van de luchtvaartmaatschappij worden verlangd als die verplichting rust op de reisorganisator. Volgens het Hof zou dat leiden tot een ongerechtvaardigde en overmatige bescherming van de reiziger en kosten voor de luchtvaartmaatschappij. Dit zijn overigens niet mijn woorden maar die van het Hof.

Het opmerkelijke van de uitspraak zit overigens in een ander onderdeel van de uitspraak. De reisorganisator moet zich tegen zijn financieel onvermogen verzekeren en de (Nederlandse) overheid dient daarop toe te zien. Doet de overheid dat niet of onvoldoende dan kan die overheid voor de schade worden aangesproken.

Gevolgen

De ACM zal mijns inziens dus beter en grondiger moeten gaan controleren of reisorganisatoren bij een garantiefonds zijn aangesloten en of deze garantiefondsen (financieel gezien) sterk genoeg zijn. Het faillissement van Hellas Travel, want om die reisorganisator ging het, kan nog wel eens een vervelend staartje krijgen voor de Nederlandse overheid.

Contact

Advies nodig over reisrecht? Neem contact opnemen met mr. Nick de Leeuw via 070-7900134 of n.deleeuw@lgga.nl, of een van onze andere specialisten.

Wilt u in de toekomst op de hoogte worden gesteld van onze artikelen en gratis kennissessies? Schrijf u dan hier in voor onze driemaandelijkse nieuwsbrief.